Terug naar het overzicht

Velsen

Gemeente Velsen

De gemeente Velsen was vroeger al een gebied met grote contrasten: gouden stranden in het westen, zompige moerassen richting binnenland. Tot aan de kanaalaanleg eind 19de eeuw grensde de oostflank van het oude dorp Velsen aan het weidse water van het Wijkermeer. Dit boezemwater van het Amsterdamse IJ stond via de Zuiderzee in open verbinding met de Noordzee. Het brakke en vaak troebele water had in de prehistorie een dynamische voorganger: het ‘Oer-IJ’. Deze grote voormalige Rijnarm meanderde eeuwenlang pal langs Velsen om in de vorm van een wijd uitgeschuurde getijdenmonding (estuarium) ter hoogte van het huidige Castricum in zee uit te monden.

Ook vandaag de dag domineert het contrast het landschap. Industrie, kanaal en havens tegenover statige buitenplaatsen die je meevoeren in de landelijke rust van de 18de eeuw. Wat geldt voor de gehele Hollandse kuststrook geldt zeker voor Velsen: het land is geologisch piepjong en nog maar net drooggevallen. “Slechts” zestig eeuwen geleden kon alleen een smalle duinstrook, die zich kromde van Velserbroek naar Velsen-Noord, de kop boven water houden.

Maar vanaf dat moment brachten stroming, branding en getij zoveel zand aan land dat Kennemerland meer dan tien kilometer westwaarts aangroeide. Bij elke getijdenwisseling slibden de klei- en zandplaten hoger op. De hoofdgeul tussen de wadplaten mondde in eerste instantie uit in het zuidwesten, maar rond 3000 v.Chr. verlegde het zeegat zich plots naar het gebied waar zich momenteel Beverwijk en Heemskerk bevinden. De geul staat tegenwoordig bekend onder de naam Oer-IJ, zo gekozen omdat het meer dat er van overbleef, sinds de middeleeuwen het IJ wordt genoemd.

Door het smelten van de grote massa’s landijs tegen het einde van de ijstijden steeg de zeespiegel wereldwijd met meer dan 100 meter, waardoor ook het bekken van de Noordzee werd gevuld. Door het geleidelijk afnemen van de snelheid waarmee de zeespiegel steeg en een constante aanvoer van zand kon zich een strandwal vormen. Deze permanent droogvallende zandrug groeide uit tot een langgerekt waddeneiland en bood daardoor bescherming tegen de golven van de open zee. Hierdoor veranderde de oostelijke helft van Velsen in een waddengebied. Uit het brakke water dat bij vloed steeds verder de veenlaag overstroomde, bezonk klei die zeer rijk was aan wadslakjes.

De achtergebleven kleilaag staat bekend als de “Laag van Velsen”. De getijdenwerking en de invloed van water en wind veroorzaakten een grote dynamiek en maakten dat de bewoners zich moesten aanpassen aan de omstandigheden; boerderijen en akkers moesten periodiek verplaatst worden. Door de opeenstapeling van landschappen en het hoge grondwaterpeil zijn de archeologische sporen en organische resten van plant en dier zeer goed bewaard gebleven. Het bodemarchief van de IJ-monding bewaart een schat aan ongeschreven historische informatie.

Zo zijn in het gebied waar zich nu de zuidoever van de Westbroekplas bevindt in de ondergrond kleine lage duintjes bewaard gebleven. Op deze duintjes bevinden zich door mensen achtergelaten sporen: potscherven en pijlpunten, en het houtskool van hun haardvuurtjes, die al 5000 jaar geleden zijn gedoofd. Hier geen hunebedden, zoals tegelijkertijd in Drenthe, maar wel de uit hout opgetrokken boerderijen, met riet gedekt.

Tegen 2500 v.Chr. aan het einde van de steentijd, vestigden zich de eerste boeren op de strandwallen aan de kust bij het Oer-IJ. In de kwelders lagen de beste weidegronden, die goed bewerkbaar werden toen het zeegat bij Castricum zich sloot en het land verzoette. Archeologen vinden niet alleen boerderijen, waterputten, afval en voorwerpen uit het dagelijks leven van deze Friezen terug, maar ook luxeproducten. Bronzen en zilveren sieraden waren belangrijke tekenen van handel.

Het water was de belangrijkste handelsweg, en veel kano’s en schepen liggen nog verborgen in de bodem. In de eerste eeuw na het begin van de jaartelling verzandde de westkant van het Oer-IJ en rukte het moeras op. Tegen het einde van de middeleeuwen (500-1500) volgde een periode waarin door stormvloeden vanuit het Flevomeer in het oosten en de daarmee gepaard gaande afkalving van het veen het Oer-IJ vergroot werd tot het IJ en het Wijkermeer.

Er ontwikkelde zich een nieuw landschap terwijl tegelijkertijd de Jonge Duinen werden gevormd. Het slotenpatroon van Velserbroek (’Broek’ is een oude benaming voor moerassig land dat vooral in het winterseizoen onder water staat) is sinds de ontginning van het veengebied, nu ruim duizend jaar geleden, feitelijk onveranderd gebleven. Ingrepen als de ruilverkavelingen hebben slechts op individuele sloten invloed gehad. De veenontginning waarmee zij samenhangen, was bedoeld om graan te verbouwen. Omdat het gebied permanent onder water dreigde te verdwijnen, bleef er maar één redelijk alternatief over: omdijking en het benutten als grasland met beweiding en/of hooiproductie.

Aan de buitenzijde van de ‘Velser broeklanden’, aan de kant van het IJ- of Wijkermeer, is dan ook aan het begin van de 13de – eeuw de Velserdijk aangelegd. Deze dijk is voor een groot deel nog duidelijk in het landschap herkenbaar. De cultuurhistorie in het Oer-IJ gebied is rijk en divers. Het landschap – niet alleen de duinen, maar ook de veengebieden, de strandwallen en de kwelders nabij de geul van het oer-IJ- bevat een schat aan relicten uit andere tijden, zichtbaar of onzichtbaar.

Het Romeinse fort Velsen 1 en de Wijkertunnel

Rond 15 n.Chr. was het de combinatie van stevige duinzandgrond en deze Oer-IJgeul die het Romeinse leger deed besluiten hier een indrukwekkend houten fort met haven – een heus ‘castellum’ – te bouwen. De plek was vanuit militair oogpunt bezien ideaal, want goed te verdedigen en met aan- en afvoer over water.

Bovendien was de positie ook in groter strategisch verband aantrekkelijk, passend binnen het streven de Romeinse Rijksgrens (de ‘Limes’) naar de Noord-Duitse rivier de Elbe te verleggen. ‘Castellum Flevum’ was vrijwel zeker de naam van dit fort. Deze wordt namelijk genoemd in de geschiedschrijving van de Romeinse historicus Tacitus. Zijn beschrijving is verbazingwekkend van toepassing op Velsen en z’n omgeving.

Hij beschreef ook hoe de hier woonachtige Germanen (Friezen genaamd) in het jaar 28 n.Chr. geen genoegen meer namen met de inhaligheid van de Romeinse belastinggaarders. Aan de vereiste afmetingen van de te leveren runderhuiden kon onmogelijk worden voldaan. Als maatstaf werd namelijk de huid van het hier niet voorkomende oerrund gehanteerd.

De spanningen liepen hoog op. Zó hoog, dat er een belegering van het fort volgde. Noch het zwaar getrainde leger, noch de gordel aan verdedigingsgrachten of de met een palissade bekroonde wal kon de getergde Friezen tegenhouden. Uiteindelijk leidde het gevecht zelfs tot een overhaaste aftocht van de Romeinse troepen.

Tot aan de bouw van de Wijkertunnel, aan het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw, zijn de sporen van zowel het fort als de gevechten op ruime schaal in de bodem gespaard gebleven. Amateurarcheologen uit Velsen ontdekten bijtijds de belangwekkende resten, zodat uitgebreid onderzoek vanuit de Universiteit van Amsterdam het mogelijk maakte om tot in opmerkelijk detail de opkomst en gewelddadige ondergang van het fort en z’n gebruikers te documenteren.

Velsen 2 en de Velsertunnel

Na het ontvluchten van het fort in 28 n.Chr. leek het een stuk rustiger te worden. Echter, niet voor lang. Rond het jaar 40 werden in de omgeving opnieuw op grote schaal bomen geveld, nu voor de bouw van een tweede Romeins castellum, dat sinds de ontdekking van het oudste fort de naam ‘Velsen 2’ draagt. Velsen 2 werd namelijk al kort na de Tweede Wereldoorlog ontdekt, aan de hand van scherfmateriaal dat in de uitgegraven grond van de Duitse antitankgracht en de bouwput van de Velsertunnel werd aangetroffen.

Ook deze zeer belangrijke vindplaats van Romeinse resten is grotendeels verspoeld geraakt op de bodem van het zich in de middeleeuwen sterk uitbreidende Wijkermeer. Toch zijn de overgebleven sporen en resten van een dermate wetenschappelijk belang dat deze locatie tot beschermd archeologisch rijksmonument is uitgeroepen.

Omdat de onderzoeksmethoden de komende jaren alleen maar beter worden zal in de toekomst –naar verwachting- aanzienlijk meer informatie aan de bodem kunnen worden onttrokken dan momenteel mogelijk is. Overeenkomstig de doelstelling van het Verdrag van Malta is behoud en beschermen dan ook het devies, hoe nieuwsgierig de huidige onderzoekers ook zijn naar de restanten uit de tijd van de legendarische keizers Caligula en Claudius.

De bodem rond de Velsertunnel herbergt unieke sporen van een belangrijke Romeinse nederzetting aan de zuidoever van het Oer-IJ, juist in een periode dat de Romeinse aandacht zich verlegde van Noord-Duitsland naar ‘Britannië’, dat aan de overzijde van de Noordzee wachtte. Uiteindelijk verlieten de Romeinen in 47 n.Chr. dit gebied voor de tweede maal en trokken zich definitief terug tot achter de Rijn.

(Bron gemeente Velsen)