Terug naar het overzicht

Geld als water?

Landaanwinning in het Oer-IJ gebied, 1500-1760
Diederik Aten
Het beleg van Alkmaar gezien vanuit het noorden. Onder de zuidzijde van de blank gezette Vroner meer en het Zwijns meertje, drooggemaakt respectievelijk 1561 en 1565. Links het Schermeer en boven de geïnun deerde Achtermeer en Heilooër meer. Links de tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 weer volgelopen Berger- en Egmondermeer. Anoniem, voor 1573. 

-

In de Middeleeuwen won het water snel terrein in het veen achter de duinen. De ontwatering van de veenkussens door kolonisten leidde tot een snelle daling van het maaiveld. Het niveauverschil in de riviertjes die door het veen slingerden nam hierdoor af. Op een gegeven moment bleef het water op de laagste plekken staan. Er vormden zich meertjes waarvan de golven voortdurend aan de zachte, venige oevers knabbelden. Zo namen ze snel in omvang toe. Natuurlijk legde de bevolking dijken aan (Aten 2007). Maar binnen de dijkringen werd het door de maaivelddaling ook steeds natter. Eind 15e eeuw was akkerbouw bijna onmogelijk geworden en verkeerde de veehouderij door de aanhoudende wateroverlast in zware moeilijkheden.

De boeren van Assendelft klaagden bijvoorbeeld in 1494 dat zij het afgelopen jaar wel 200 koeien hadden verloren door aanhoudende nattigheid (Fruin 1876). Hier kwam nog het bloedig onderdrukte oproer van het Kaas- en Broodvolk bovenop. Na 1500 ging het gelukkig bergopwaarts. De prijzen van zuivelproducten stegen en ook de pachten liepen eerst langzaam, maar vanaf circa 1530 steeds sneller op (Kuys & Schoenmakers 1981). Hierdoor werd landaanwinning een aantrekkelijke investering.

De benodigde molentechniek om meren leeg te malen was reeds aanwezig. Begin 16e eeuw werden bij Alkmaar bijvoorbeeld twee grote poldermolens gebouwd die bij goede wind een capaciteit hadden 40 à 50 kubieke meter water per minuut; Bicker Caarten 1990). De gebroeders Jan en Willem Jansz. uit Alkmaar waren de eersten die een dergelijk project aandurfden. Beide vervulden belangrijke ambtelijke posten in de stad en de regio. In 1527 verkregen zij van het stadsbestuur een octrooi of concessie om het Achtermeer droog te maken. Het ging om een direct ten zuiden van Alkmaar gelegen meertje met een oppervlakte van circa 35 hectare. Er was echter ook een octrooi van de grafelijkheid nodig en dat leverde jaren vertraging op. Het lijkt erop dat men zich in de kanselarij te Den Haag geen goede voorstelling van een droogmakerij kon maken en al helemaal niet wist hoe het zat met de grafelijke rechten. Pas in november 1532 verleende landsheer Karel V het begeerde octrooi. Dit verschafte beide broers op bepaalde voorwaarden permissie om het Achtermeer leeg te malen ‘met zulcke instrumenten als hem dat (…) proffitelicxste duncken sal’. Vier jaar later was het meertje in grasland omgezet; Aten 2012; Borger 2004).

 De tijdens de Kerstvloed van 1717 in de Sint Aagtendijk en Assendelver Zeedijk geslagen gaten (noorden links). Na deze vloed werd een dwarsdijk aangelegd tussen beide dijken langs de hoog opgeslibde buitendijkse landen. Achter de grote door braak in de Assendelver Zee dijk het uit 1638 daterende droogmakerijtje De Vliet. Tijs Claasz., uitgave wed. N. Visser, na 1717. 

De Achtermeer leverde kennelijk winst op omdat in de jaren 1540-1570 bij elkaar 15 meren rond Alkmaar werden leeggemalen. Daaronder bevonden zich in Kennemerland tussen Alkmaar en Beverwijk het Dorregeestermeertje (27 hectare) tussen bij Akersloot en het Heilooërmeer (45 hectare) en Boekelermeer (340 hectare) in de buurt van Heiloo. In 1557 verleende Philips II, die ondertussen zijn vader Karel V was opgevolgd, een octrooi voor het Dorregeestermeertje aan de Alkmaarse poorter Aem Claesz. Twee jaar later werd daar de eerste oogst binnengehaald (Nationaal Archief (NA), nr. tg. 3.01.27.02, inv.nr. 10). In 1567 volgde het Heilooër of Nieuwpoortermeer (Kooiman 1936). De Boekelermeer vormde de laatste 16e-eeuwse droogmakerij in het Oer-IJ gebied. In juli 1567 verkregen Jarigh van Tjepma en Jacob Reyersz. van Waerdendel een octrooi.

Van Tjepma was een Friese edelman die zich na zijn benoeming tot rentmeester van de grafelijke bezittingen in het Geestmerambacht in Alkmaar had gevestigd. Van Waerdendel kwam uit een oude Alkmaarse familie en was onder andere burgemeester. Beide heren hadden vier anderen overgehaald mee hen mee te doen. De door twee molens bemalen Boekelermeer viel in de lente van 1569 droog (Aten 1999). Helaas bracht de Allerheiligenvloed van 1570 de nodige schade toe in de omgeving van Alkmaar. De in 1563- 1566 leeggemalen Berger- en Egmondermeer (1400 hectare) ten westen van de stad liepen weer vol (Min 2017). Van het herstel van de schade kon geen sprake zijn door de onrust en oorlogsdreiging die de inmiddels uitgebroken Opstand tegen het Spaanse gezag met zich meebracht. Tijdens het beleg van Alkmaar van 1573 verdwenen bovendien de Achtermeer, Heilooërmeer, Boekelermeer en de andere droogmakerijen rond de stad onder water om het de Spanjaarden moeilijk te maken ; Borger 1679).

 De droogmakerijen rond Alkmaar (noorden rechts). Direct ten zuiden van de stad de Achtermeer en even verderop de Heilooërmeer. Louris Pietersz., voor 1573. 

Nadat de rust was weergekeerd, werden de blank gezette meren opnieuw leeggemalen, soms door de oude landeigenaren, soms door nieuwe investeerders. Het Dorregeestermeer werd bijvoorbeeld in 1579 aangepakt door de Akersloter Geerloff Dielofsz. cum suis. Ook dit poldertje was ‘in den troublen tijt ingelopen ende zeer (…) woest leggende’. In of kort na 1583 was het voortaan tevens als de Dielofsmeer bekende poldertje weer droog ; NA, tg. 3.01.27.02, inv.nrs. 1002, 1007).

De befaamde Gouden Eeuw was toen al duidelijk onderweg. De economie groeide razendsnel en in de handel, industrie en scheepvaart werden fortuinen verdiend. Vanaf 1580 schoten bovendien de pacht- en grondprijzen omhoog (van Zwet, 2009). Dat maakte landaanwinning een zeer aantrekkelijke optie om het opgehoopte kapitaal te beleggen. In 1607 verleende het gewestelijk bestuur, de Staten van Holland, een octrooi tot droogmaking van de Beemster (7200 hectare) aan een compagnie van Amsterdamse kooplieden en Haagse ambtenaren. De Beemster viel in 1612 droog. De kosten beliepen 1,2 miljoen gulden, maar na enkele moeilijke jaren haalden de investeerders rendementen van wel tien procent op de oorspronkelijke investering (van Zwet 2009). Het hek was van de dam en in minder dan drie decennia werden bijna alle andere meren in Holland benoorden het IJ leeggemalen inclusief de piepkleine Vliet (21 hectare) ten westen van Assendelft in 1638 (Kooiman 1936).

 De regio tussen Amsterdam en Alkmaar met het Oer-IJ gebied halverwege de 19e-eeuw. De landaanwinningen zijn donkergroen ingekleurd.

-

In het Oer-IJ-gebied bleef uiteindelijk slechts één meer van formaat over, het Lange- of Alkmaardermeer, hoewel ook hiervoor in 1632 een octrooi is verleend (Wortel 1960). Na het droogvallen van de Starnmeer in 1643 was het met de landaanwinning gedaan. Na 1650 begonnen de grondprijzen te dalen.

Aan begin van de 18e eeuw kwam de landbouw in een diepe en ettelijke decennia aanhoudende crisis terecht (van Zwet 2009). Niemand was nog bereid ook maar een cent in het droogmaken van meren of het inpolderen van buitendijkse slikken en kwelders te riskeren. Toch kwam het begin 18e eeuw tot bedijking van hoog opgeslibde gronden in het Wijkermeer in het kader van verhoging van de waterveiligheid na de Kerstvloed van 1717.

In dat jaar brak tijdens een noordwesterstorm op eerste kerstdag de Sint Aagtendijk langs het Wijkermeer op twee plaatsen. In de Assendelver Zeedijk vielen zes gaten ). Grote delen van de Zaanstreek en Waterland verdwenen onder het zoute water. De ellende was enorm. Eind februari 1718 waren de dijken weliswaar weer dicht, maar het werd zomer voordat men overal het water van het land had (Bogaert 1719; Danner et al. 1994). Deze overstroming leidde tot ingrijpen van de Staten van Holland. Die reorganiseerde het dijkbeheer.

Assendelft werd verder in overweging gegeven een dwarsdijk aan te leggen tussen de Sint Aagtendijk en de Assendelver Zeedijk. Deze circa anderhalve kilometer lange overdijking zou een bijna tien kilometer lange lus van beide genoemde oude zeedijken tot binnendijk maken. Op deze manier werd meteen een gebied van ruim 150 hectare hoog opgeslibde gronden ingepolderd. Assendelft koos inderdaad voor de overdijking. De nieuwe polder werd bekend als Binnengedijkte Buitenlanden of De Noorderbuitendijken (Resoluties Staten van Holland, 24-03 en 22-07-1718, 02-05 en 23-06-1719).

Na De Noorderbuitendijken duurde het ruim anderhalve eeuw voordat weer van landaanwinning in het OerIJ-gebied sprake was. In 1870 ging de aanleg van het Noordzeekanaal van start in combinatie met de inpoldering van het IJ. Dit project leverde negen nieuwe polders op met een totale oppervlakte van 5350 hectare. Molentechniek werd hier niet meer toegepast. Alle negen IJ-polders vertrouwden op een stoomgemaal.

 Begin 15e eeuw werden bij Alkmaar reeds grote poldermolens gebouwd. Deze bezaten een brede achtkantige fundering om te voorkomen dat de constructie in de zachte bodem wegzakte. Ze waren uitgerust met een groot scheprad waarmee het water effectief ongeveer een meter opgevoerd kon worden. F. Schoorl, 1816.