Lezing Wladimir Dobber

Wladmir Dobber (2)

Wladimir Dobber

‘Pre-industriële ontwikkeling in het gebied tussen Alkmaar en Zaandam’

Samenvatting

Centraal in de lezing staat Cornelis Corneliszoon van Uitgeest, zestiende-eeuwse uitvinder/ innovator en zijn rol bij de pre-industriële ontwikkeling van het stroomgebied van het Oer-IJ. ’

Daarbij gaat het samengevat om vroegste toepassing van windenergie, de eerste windmolens in de Lage Landen en de inzet van windmolens bij landwinning en over de toepassing van de krukas in windmolens door Cornelis Corneliszoon van Uitgeest. Verder over de mechanisering van arbeidsprocessen met behulp van ‘windmotoren’, de effecten op scheepsbouw, scheepvaart, de hegemonie op de wereldzeeën en handel die daar het gevolg van was. De Gouden Eeuw volgde: de basis voor onze huidige economische welvaart.

De lezing belicht de ontwikkelingen van het Oer-IJ-gebied vanaf circa 750 n. C tot circa 1780, het begin van de ‘Industriële Revolutie’, door de toepassing van stoom als energiebron. Over het onderwerp zijn diverse publicaties verschenen die u hier kunt lezen.

 

Terug naar het overzicht; klik hier.

Vragen gesteld vanuit de zaal na afloop van de lezing.

Mevr. Corry Huijboom: Wat is het Zeglis?

Antwoord: Water beoosten Alkmaar, uitmondend in het Schermeer. De weg langs het Noord-Hollands Kanaal in de wijk Overdie is er naar vernoemd. Er stonden meerdere molens waaronder de houtzaagmolen van Corneliszoon.

Bram van Loon: Wat is azijnhout?

Antwoord: Hout van de azijnboom, afkomstig uit de tropen en gematigde klimaatzones. Wikipedia: “De steeneik levert zeer hard, zwaar hout, in kleine afmetingen, dat azijnhout genoemd wordt, waarschijnlijk afgeleid van azinheira, de naam van de boom in het Portugees”.

Jack Ubachs: Wie waren de eigenaren van de molens/ zagerijen?

Antwoord: Ondernemers en particulieren die een aandeel (of part) in een molen of schip (partenrederij) kochten. Door deel te nemen in meerdere activiteiten, werden risico’s gespreid. Ze vormden samen kleine vennootschappen. In de Zaanstreek was deze vorm van eigenaarschap sterk ontwikkeld, vooral onder doopsgezinden.

Erwin Molenaar: Wat verdienden scheepslieden? (vraag had betrekking op walvisvaart)

Antwoord: De gage van zeevarenden hing af van de vangsten tijdens de reis.
Commandeur vast fl. 60. p/m; matroos Fl. 14,– p/m.

Terug naar het overzicht; klik hier.