Lezing Rob Veenman

Rob Veenman portret 2

Rob Veenman

 

‘De Waterstaatskundige geschiedenis van het Oer-IJ’,

(Lezing gehouden door Rob Veenman op 19 november 2015′)

Samenvatting

We kunnen de waterstaatskundige geschiedenis van het Oer-IJ globaal indelen in een tweetal periodes: voor en na de sluiting van de duinenrij. In de eerste periode is de invloed van de zee groot. Door de werking van water en wind, de afzetting van zand en klei en de vorming van veen werd de invloed van de zee steeds kleiner, ondanks een stijgende zeespiegel. In die tijd was het Oer-IJ nog zout tot brak en stroomde het water van oost naar west. De invloed van de mens was op dat moment nog zeer beperkt.

Na de sluiting van de duinenrij veranderde het gebied ingrijpend. Het Oer-IJ kreeg daarbij een belangrijke functie in de afwatering van het achterliggende veengebied in de richting van Flevomeer/Zuiderzee. Sinds die tijd verzoet het water langzamerhand en stroomt het van west naar oost. Maar de grootste invloed op het gebied komt van de mens, zich in eerste instantie vestigend op de zandgronden en de kreekruggen en later het veengebied in cultuur brengend. Als gevolg van het menselijk ingrijpen stopte de veenvorming en begon de bodem door inklinking en oxidatie te dalen. Door de bodemdaling en de zeespiegelstijging moest de mens opnieuw ingrijpen, nu met de aanleg van dijken en later met de inzet van molens en gemalen. Zo wordt de geschiedenis van het Oer-IJ een verhaal over dijken en dammen, sluizen en inpolderingen.

Wateren zoals het Oer-IJ hebben in de geschiedenis altijd een belangrijke rol gespeeld als transportweg. Zo konden Alkmaar, Haarlem, Amsterdam en de Zaanstreek zich ontwikkelen tot florissante handelssteden en industriegebieden. Maar dan moeten de waterwegen wel op diepte zijn en niet versperd worden door dijken en dammen. Een moeizaam gebagger en langdurig bestuurlijk geruzie over de tegenovergestelde belangen van veiligheid en vrije vaarroutes zijn dan het gevolg. Uiteindelijk wordt voor de veiligheid en bereikbaarheid gekozen om het Oer-IJ in te polderen en ontstaat het Noordzeekanaal, omringd door de diverse IJ-polders.

Rob Veenman (1952) is Hoogheemraad (dagelijks bestuurder) van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en publicist.

Terug naar het overzicht; klik hier.

Vragen en antwoorden

Vraag van Stieneke Rozenbosch: Wat gaat er gebeuren met het idee om de waterschappen te integreren in een van de departementen?

Antwoord: Waterschappen zijn functionele overheden met een beperkte taak: water keren, water beheren en water zuiveren. Omdat ze een beperkte taak hebben, kunnen zij zich specifiek daarop richten en hoeven zij nooit afwegingen te maken tussen bijvoorbeeld “de dijken op hoogte te brengen” of “geld te investeren in de lokale bibliotheek”. Rijk, provincies en gemeenten zijn zogenaamde algemene democratieën die een veel breder beleidsterrein hebben. Als het waterbeheer aan hen zou worden overgedragen, dan kan het geld daarvoor weglekken naar bijvoorbeeld die lokale bibliotheken. Bij de waterschappen zijn droge voeten en schoon water dan ook in betere handen.

Vraag van Ge Bosch: Hoe verklaar je de aanwezigheid van zoute kwel en zoutminnende planten in De Rijp?

Antwoord: Vroeger was dit gebied voor een groot gedeelte zee en in de bodem bevindt zich veel oud zout. In de pleistocene zandlaag is het grondwater zelfs zout. In de Beemster en de Wijde Wormer is de kwel vaak brak; in de Wieringermeer is het zoutgehalte echter hoger.

Vraag Kees Olsthoorn: In de Assendelver veenpolder werd via inlaatsluizen zeewater aangevoerd en het slib bleef op de akkers achter. Ontstond daar geen zoutoverlast?

Antwoord: In de buurt van het Wijkermeer was het water redelijk zoet. Het bestond voor een groot deel uit regenwater. In een deel van Assendelft, de Assendelver veenpolder, vind je wel veel klei in het veen. Toen de Veenpolder werd afgegraven voor turfwinning, leverde dat slechte turf op. Het aanwezige natrium zorgt voor extra smaak aan het gras en volgens Gerard Veldt is Noord-Hollandse kaas daardoor ook net iets pittiger.

Vraag van mevrouw Huijboom: Hoe schoon is het water in vergelijking met 10 jaar terug?

Antwoord: Het is beter om die vergelijking te maken met 1960. Toen stonk de Zaan verschrikkelijk door het afval van de stijfselmakerijen die er langs lagen. Het Zaangemaal dat het water door- en schoonspoelde was een heel praktische oplossing en de situatie verbeterde enorm.

In Den Helder staat een groot gemaal dat zorgt voor de ontzilting van het oppervlaktewater in Noord Holland. Vanuit het IJsselmeer wordt water ingelaten om doorspoeling te krijgen. De Rijn was vroeger een smeltwaterrivier. In de zomer smolten de gletsjers en was de waterstand het hoogst. Tegenwoordig is de Rijn vooral een regenwaterrivier. De waterstand is nu het hoogst in het najaar. Uiteindelijk zal het Rijnwater onvoldoende zijn voor de watervoorziening en zal er langzaam een ombouw plaatsvinden naar gebiedsgericht water.

Pas in 1960 is men op grote schaal begonnen met het aanleggen van riolering en de eerste waterzuiveringsinstallatie werd pas aan het eind van de 60er jaren, begin 70er jaren van de twintigste eeuw in gebruik genomen.

Terug naar het overzicht; klik hier.

 

Terug naar het overzicht; klik hier.