Lezingenserie

Uitgelicht

1e lezing oer-ij academie 27-1-15 d

Alle lezingen waren drukbezocht.

 

 

 

 

 

 

 

De organisatie van lezingen over onderwerpen die een relatie hebben met het Oer-IJ mogen zich verheugen in een brede belangstelling. De eerste serie in Huis van Hilde is herhaald en een aantal sprekers hield ook een verhaal in de bibliotheek van Heemskerk. In het najaar van 2016 is de reeks voorgezet met nieuwe onderwerpen en nieuwe sprekers. Begin 2017 wordt een serie lezingen herhaald in het Huis van de Geschiedenis Midden-Kennemerland in Beverwijk.

Het programma voor de serie 2017/2018 bestaat zelfs uit acht lezingen. Dat komt omdat we nu samenwerken met Huis van Hilde en elk de organisatie van vier lezingen verzorgen. Klik hier voor alle informatie over het nieuwe seizoen.

Samenvattingen van de eerdere lezingen, aangevuld met bezoekersvragen en antwoorden van de sprekers, is hier op de site terug te lezen. Rechts op de pagina een index met een overzicht van de sprekers, een samenvatting van de avond en de vragen vanuit de zaal.

Ook de lezingenserie van 2016 is inmiddels afgerond. Klik hier voor het overzicht en de vragen uit de zaal.

 

 

Lezing Chris de Bont

Ontginning, bewoning en waterbeheer in Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen

Chris de Bont

In de Vroege Middeleeuwen vormde het strandwallengebied (de zogenaamde Oude Duinen) het hartland van Kennemerland. Rond het jaar 1000 n. Chr. zijn de Kennemervenen in relatief korte tijd in gebruik genomen. In mijn verhaal sta ik kort stil bij de overwegingen die mensen deden besluiten om het relatief droge zandgebied te verlaten om de achterliggende venen van de Zaanstreek en het gebied ten zuiden van het IJ te gaan ontginnen om het met een gemengde bedrijfsvoering uit te gaan baten.

Daarna behandel ik de ontginning van de noordelijke en zuidelijke Kennemervenen. Daarbij speelt de relatie tussen het oude Kennemerland en de nieuw ontgonnen gronden een belangrijke rol. Voor het zuidelijk deel is een groot probleem dat in de loop van de eeuwen hier het Haarlemmermeer is ontstaan waarbij grote delen van het eens ingerichte boerenland in de golven zijn verdwenen. Ik toon U mijn reconstructie van de verschillende ontginningen voordat ze grotendeels van de kaart verdwenen. Lees verder

Lezing Lia Vriend

De bedding van het Oer-IJ is nog steeds aanwezig

lia-vriend

Lia Vriend

In het begin van onze jaartelling is de monding van het Oer-IJ bij Castricum definitief dichtgeslibd. De laatste 2000 jaar zijn er heel veel landschappelijke veranderingen gevolgd. Toch spreken we nog steeds van een Oer-IJ gebied. Waarom?

Als we in de 21e eeuw een hoogtekaart maken, zien we waar ooit het Oer-IJ heeft gestroomd. De bedding van het oude krekensysteem in het mondingsgebied zijn ook nu nog aanwezig in de laagste delen in het landschap. Er liggen talloze slingerende waterlopen, zoals Schulpvaart en Hendriksloot in Castricum en De Dije in Heemskerk en Uitgeest. De hoger gelegen gronden, zoals de oeverwallen van het Oer-IJ, de zandplaten in het mondingsgebied en natuurlijk de vele strandwallen, zijn de oudst bewoonde gebieden en nu nog herkenbaar aan bebouwing en stratenpatroon (de oude geesten). Lees verder

Lezing Rob van Eerden

Bewoningsgeschiedenis van het Oer-IJ

Rpb van Eerden

Rob van Eerden

Met het Oer-IJ wordt traditioneel het verlengde van de Vechtsysteem bedoeld, zoals dat in de late prehistorie vanuit het rivierengebied en het voormalige Almere in noordwestelijke richting door het (hoog- en laag-) veengebied naar de kust stroomde, door de strandwallengordel brak en in de vorm van een getijdebekken in de Noordzee uitmondde.

De monding van het Oer-IJ lag ooit pal westelijk van het huidige Castricum. Het getijdebekken werd, naarmate de dichtzanding vorderde (het sluiten van de westelijkste strandwal), van een brede monding tot een estuarien (getijde-)systeem. Nog later werd het gebied een verzoetende binnendelta en vervolgens een volledig zoete, vlakke en vruchtbare laagvlakte, die zich uitstekend leende voor een uitgebreide bewoning in de eerste eeuwen van de jaartelling. Lees verder

Lezing Peter Vos

De ontstaansgeschiedenis van het Oer-IJ

vos_peter

Peter Vos

De naam ‘’het Oer-IJ’’ is in 1952 geïntroduceerd door Güray in zijn bodemkundige publicatie over de IJ-polders. Onder het Oer-IJ wordt het getijdensysteem verstaan dat de voorloper was van het latere IJ-meer. Dit getijdensysteem lag in het gebied tussen Castricum – Uitgeest, Beverwijk-Assendelft en Velsen-Amsterdam.

Het Oer-IJ komt voort uit een groot getijdensysteem – het zeegat van Haarlem – dat zich in het Vroeg en Midden Holoceen tussen Haarlem en Amsterdam ontwikkeld had (periode tussen 8000 en 3000 v. Chr.). Als gevolg van de snelle Holocene zeespiegelstijging was in deze periode West Nederland veranderd in één groot getijdengebied dat via een groot aantal zeegaten in contact stond met de Noordzee. Het zeegat van Haarlem was daar één van en deze opening in de kust schoof tussen 4000 en 3000 v. Chr. in noordwaarts op richting Noordzeekanaal. Lees verder

Lezing Ron van ‘t Veer

De Natuur van het Oer-IJ – 3000 jaar landschapsgeschiedenis.

Ron vant Veer

Ron van ‘t Veer

De lezing gaat in op de oorspronkelijke natuur van het Oer-IJ. Hoe zag het landschap er uit en wat groeide daar. Hoe weten we dat eigenlijk? Aan de hand van overgebleven plantenresten in de veenbodem kan een beeld van het landschap van het Oer-IJ worden geschetst. We maken kennis met de wadplanten van weleer, de bloemrijke veenterreinen langs de eerste nederzettingen en de groei van het hoogveen.

Ook proberen we ons een beeld te schetsen van de eerste boerengraslanden die langs het Oer-IJ bij Krommenie aanwezig waren. Zagen die er heel anders uit dan tegenwoordig of zijn er nog steeds voorbeelden van deze oergraslanden in de omgeving te vinden?

Lees verder

Lezing Ronald de Graaf

De militair-strategische betekenis van het Oer-IJ gebied

Samenvatting

Om het naar autonomie strevende West-Friesland te beheersen, openden de graven in 1132 de vijandelijkheden, alleen hadden ze tegen de guerrilla-tactiek van de boeren weinig weerwoord. De brandhaarden van het verzet tegen Holland waren Winkel en Niedorp. De West-Friese verdediging, gebaseerd op omgevingsfactoren als beken en kreken, was erg effectief. Nog viermaal probeerden de Hollanders een beslissing te forceren, in 1166, 1168, 1180, 1198; het richtte weinig meer uit dan wel een formele, maar geen feitelijke onderwerping van de West-Friezen.

De West-Friezen waren, doordat stormvloeden landverlies hadden veroorzaakt, niet bereid om hun grond aan de Hollanders af te staan, of om belasting te betalen. Herhaaldelijk namen zij het initiatief om op hun beurt de Hollanders af te schrikken: in 1133, 1155, 1166, 1169, 1182, 1195. Het gebrek aan landbouwgrond ten spijt, lijken deze aanvallen pre-emptief geweest te zijn, omdat ze niet als doel hadden langdurig grond in Kennemerland te bezetten.

Eerst werd Kennemerland door Willem II met een ring van kastelen versterkt. De door hem in West-Friesland uitgevoerde aanval, was operationeel zo gek nog niet vanwege de beoogde omsingeling die uitgevoerd moest worden met de infanterie over het ijs en de cavalerie over het land. Militair-strategisch maakte hij echter dezelfde fout als zijn zoon later in 1272: door bij Alkmaar aan te vallen, was van verrassing of overrompeling geen sprake.

Zijn zoon Floris V was een strategisch en operationeel genie. Zowel de West-Friezen als de Stichtsen werden in dertig jaar (1266-1296) militair en politiek vrijwel geheel bedwongen. Hij wist Stichtse edelen en de kerkelijke autoriteiten uit te schakelen door een reeks slimme zetten op het diplomatieke en financiële schaakbord. Slechts een enkele maal moesten de wapens uitkomst bieden, zoals in 1278 in Utrecht en 1281-82 in Montfoort en Vredeland. De Hollanders beheersten met de Vecht de toegangsweg van Utrecht naar de Zuiderzee.

Pas de amfibische actie van Floris in 1282, gevolgd door de inzet van vele boogschutters om de systematische aanleg van dwangburchten te beveiligen, leidde in 1289 tot het beëindigen van de guerrilla. Door een vergelijking met de guerrilla’s waarmee de Engelse koning in Wales en de Utrechtse bisschop in Drenthe werden geconfronteerd, krijgen we de defecten en merites van de verschillende toegepaste militaire strategieën in beeld.

De kracht van Floris en Edward school in de aanvalsdatum in het landbouwseizoen, de vlootsteun, integratie van wapensystemen en legeronderdelen, aanleg van burchten en wegen of dijken, het aanknopen van goede buitenlandse relaties en het vermijden van plunderingen door een goede foeragering. Het aanbieden van een goede sociaaleconomische of waterstaatkundige toekomst voor de verslagenen, was bij de contraguerrilla van doorslaggevend belang.

Vragen en antwoorden lezing Ronald de Graaf

Vraag van A. van Loon: Welke gebeurtenis hoort bij het jaartal 1337?

Antwoord: Uit een gedateerd document in het Nationaal Archief blijkt dat in West-Friesland ongeveer 3500 mannen woonden.

Vraag van Kees de Wildt: De term het Oer-IJ is vanavond niet genoemd; wat was de rol ervan in militair-strategisch opzicht?

Antwoord: Zonder het (Oer) -IJ was de vloot van Floris nooit bij Hoorn/Wijdenes gekomen.

Vraag van Joke v.d. Aar : Hoe liep de reeks van defensieve kastelen? Een aantal daarvan dateerde toch uit de tijd ver voor Willem?

Antwoord: Egmond en Brederode waren aanzienlijk ouder. Maar rond 1250 waren er veel bouwactiviteiten toen de baksteen beschikbaar kwam. De rits kastelen liep in grote lijnen langs het Oer-IJ van Haarlem naar Alkmaar aan de rand van de strandwallen, waar water beschikbaar was om de slotgracht onder water te zetten.

Aanvullende vraag: Horen Huis ten Bever en Teijlingen ook bij deze reeks?
Antwoord: Dat weet ik niet.

Vraag van Han Kemperink: De eerste graven van Holland bezaten rond 1000 geen land. Hoe kregen ze dat in bezit?

Antwoord: De streek behoorde tot het Duitse Rijk en viel onder het gezag van het bisdom Utrecht. Rond 1000 startten de graven met het heffen van watertol in Vlaardingen en ze voeren nog enkele ongehoorde acties uit. Vanuit trecht werden ze in Dordrecht en Vlaardingen aangevallen, maar er was geen houden aan voor de bisschop en langzamerhand breidden de graven hun grondgebied uit.

Vraag van Kees Helderman: Wat zijn ‘rekeningen’?

Antwoord: Dat zijn stadsrekeningen (van een stad) of van de graven van Holland: overzichten van inkomsten en uitgaven. Daarin kun je zien dat er schepen en materiaal worden geleverd voor de oorlogsvoering. De rekeningen van de graven worden bewaard in Den Haag en daarin kun je zien wat ze uitgaven, wanneer en waarom. In combinatie met de rekeningen krijgen rijmkronieken – die soms onbetrouwbaar leken – ook een andere betekenis. Ze blijken namelijk allebei naar dezelfde gebeurtenissen te wijzen.

Terug naar het overzicht; klik hier.

 

Lezing Rob Veenman

Rob Veenman portret 2

Rob Veenman

 

‘De Waterstaatskundige geschiedenis van het Oer-IJ’,

(Lezing gehouden door Rob Veenman op 19 november 2015′)

Samenvatting

We kunnen de waterstaatskundige geschiedenis van het Oer-IJ globaal indelen in een tweetal periodes: voor en na de sluiting van de duinenrij. In de eerste periode is de invloed van de zee groot. Door de werking van water en wind, de afzetting van zand en klei en de vorming van veen werd de invloed van de zee steeds kleiner, ondanks een stijgende zeespiegel. In die tijd was het Oer-IJ nog zout tot brak en stroomde het water van oost naar west. De invloed van de mens was op dat moment nog zeer beperkt.

Na de sluiting van de duinenrij veranderde het gebied ingrijpend. Het Oer-IJ kreeg daarbij een belangrijke functie in de afwatering van het achterliggende veengebied in de richting van Flevomeer/Zuiderzee. Sinds die tijd verzoet het water langzamerhand en stroomt het van west naar oost. Maar de grootste invloed op het gebied komt van de mens, zich in eerste instantie vestigend op de zandgronden en de kreekruggen en later het veengebied in cultuur brengend. Als gevolg van het menselijk ingrijpen stopte de veenvorming en begon de bodem door inklinking en oxidatie te dalen. Door de bodemdaling en de zeespiegelstijging moest de mens opnieuw ingrijpen, nu met de aanleg van dijken en later met de inzet van molens en gemalen. Zo wordt de geschiedenis van het Oer-IJ een verhaal over dijken en dammen, sluizen en inpolderingen.

Wateren zoals het Oer-IJ hebben in de geschiedenis altijd een belangrijke rol gespeeld als transportweg. Zo konden Alkmaar, Haarlem, Amsterdam en de Zaanstreek zich ontwikkelen tot florissante handelssteden en industriegebieden. Maar dan moeten de waterwegen wel op diepte zijn en niet versperd worden door dijken en dammen. Een moeizaam gebagger en langdurig bestuurlijk geruzie over de tegenovergestelde belangen van veiligheid en vrije vaarroutes zijn dan het gevolg. Uiteindelijk wordt voor de veiligheid en bereikbaarheid gekozen om het Oer-IJ in te polderen en ontstaat het Noordzeekanaal, omringd door de diverse IJ-polders.

Rob Veenman (1952) is Hoogheemraad (dagelijks bestuurder) van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en publicist.

Terug naar het overzicht; klik hier.

Vragen en antwoorden

Vraag van Stieneke Rozenbosch: Wat gaat er gebeuren met het idee om de waterschappen te integreren in een van de departementen?

Antwoord: Waterschappen zijn functionele overheden met een beperkte taak: water keren, water beheren en water zuiveren. Omdat ze een beperkte taak hebben, kunnen zij zich specifiek daarop richten en hoeven zij nooit afwegingen te maken tussen bijvoorbeeld “de dijken op hoogte te brengen” of “geld te investeren in de lokale bibliotheek”. Rijk, provincies en gemeenten zijn zogenaamde algemene democratieën die een veel breder beleidsterrein hebben. Als het waterbeheer aan hen zou worden overgedragen, dan kan het geld daarvoor weglekken naar bijvoorbeeld die lokale bibliotheken. Bij de waterschappen zijn droge voeten en schoon water dan ook in betere handen.

Vraag van Ge Bosch: Hoe verklaar je de aanwezigheid van zoute kwel en zoutminnende planten in De Rijp?

Antwoord: Vroeger was dit gebied voor een groot gedeelte zee en in de bodem bevindt zich veel oud zout. In de pleistocene zandlaag is het grondwater zelfs zout. In de Beemster en de Wijde Wormer is de kwel vaak brak; in de Wieringermeer is het zoutgehalte echter hoger.

Vraag Kees Olsthoorn: In de Assendelver veenpolder werd via inlaatsluizen zeewater aangevoerd en het slib bleef op de akkers achter. Ontstond daar geen zoutoverlast?

Antwoord: In de buurt van het Wijkermeer was het water redelijk zoet. Het bestond voor een groot deel uit regenwater. In een deel van Assendelft, de Assendelver veenpolder, vind je wel veel klei in het veen. Toen de Veenpolder werd afgegraven voor turfwinning, leverde dat slechte turf op. Het aanwezige natrium zorgt voor extra smaak aan het gras en volgens Gerard Veldt is Noord-Hollandse kaas daardoor ook net iets pittiger.

Vraag van mevrouw Huijboom: Hoe schoon is het water in vergelijking met 10 jaar terug?

Antwoord: Het is beter om die vergelijking te maken met 1960. Toen stonk de Zaan verschrikkelijk door het afval van de stijfselmakerijen die er langs lagen. Het Zaangemaal dat het water door- en schoonspoelde was een heel praktische oplossing en de situatie verbeterde enorm.

In Den Helder staat een groot gemaal dat zorgt voor de ontzilting van het oppervlaktewater in Noord Holland. Vanuit het IJsselmeer wordt water ingelaten om doorspoeling te krijgen. De Rijn was vroeger een smeltwaterrivier. In de zomer smolten de gletsjers en was de waterstand het hoogst. Tegenwoordig is de Rijn vooral een regenwaterrivier. De waterstand is nu het hoogst in het najaar. Uiteindelijk zal het Rijnwater onvoldoende zijn voor de watervoorziening en zal er langzaam een ombouw plaatsvinden naar gebiedsgericht water.

Pas in 1960 is men op grote schaal begonnen met het aanleggen van riolering en de eerste waterzuiveringsinstallatie werd pas aan het eind van de 60er jaren, begin 70er jaren van de twintigste eeuw in gebruik genomen.

Terug naar het overzicht; klik hier.

 

Terug naar het overzicht; klik hier.

Lezing Wladimir Dobber

Wladmir Dobber (2)

Wladimir Dobber

‘Pre-industriële ontwikkeling in het gebied tussen Alkmaar en Zaandam’

Samenvatting

Centraal in de lezing staat Cornelis Corneliszoon van Uitgeest, zestiende-eeuwse uitvinder/ innovator en zijn rol bij de pre-industriële ontwikkeling van het stroomgebied van het Oer-IJ. ’

Daarbij gaat het samengevat om vroegste toepassing van windenergie, de eerste windmolens in de Lage Landen en de inzet van windmolens bij landwinning en over de toepassing van de krukas in windmolens door Cornelis Corneliszoon van Uitgeest. Verder over de mechanisering van arbeidsprocessen met behulp van ‘windmotoren’, de effecten op scheepsbouw, scheepvaart, de hegemonie op de wereldzeeën en handel die daar het gevolg van was. De Gouden Eeuw volgde: de basis voor onze huidige economische welvaart.

De lezing belicht de ontwikkelingen van het Oer-IJ-gebied vanaf circa 750 n. C tot circa 1780, het begin van de ‘Industriële Revolutie’, door de toepassing van stoom als energiebron. Over het onderwerp zijn diverse publicaties verschenen die u hier kunt lezen.

 

Terug naar het overzicht; klik hier.

Vragen gesteld vanuit de zaal na afloop van de lezing.

Mevr. Corry Huijboom: Wat is het Zeglis?

Antwoord: Water beoosten Alkmaar, uitmondend in het Schermeer. De weg langs het Noord-Hollands Kanaal in de wijk Overdie is er naar vernoemd. Er stonden meerdere molens waaronder de houtzaagmolen van Corneliszoon.

Bram van Loon: Wat is azijnhout?

Antwoord: Hout van de azijnboom, afkomstig uit de tropen en gematigde klimaatzones. Wikipedia: “De steeneik levert zeer hard, zwaar hout, in kleine afmetingen, dat azijnhout genoemd wordt, waarschijnlijk afgeleid van azinheira, de naam van de boom in het Portugees”.

Jack Ubachs: Wie waren de eigenaren van de molens/ zagerijen?

Antwoord: Ondernemers en particulieren die een aandeel (of part) in een molen of schip (partenrederij) kochten. Door deel te nemen in meerdere activiteiten, werden risico’s gespreid. Ze vormden samen kleine vennootschappen. In de Zaanstreek was deze vorm van eigenaarschap sterk ontwikkeld, vooral onder doopsgezinden.

Erwin Molenaar: Wat verdienden scheepslieden? (vraag had betrekking op walvisvaart)

Antwoord: De gage van zeevarenden hing af van de vangsten tijdens de reis.
Commandeur vast fl. 60. p/m; matroos Fl. 14,– p/m.

Terug naar het overzicht; klik hier.