Blaarkop kan weidevogels redden

Het Guisveld in de Zaanstreek. FOTO TOM KISJES

 

Ook delen van het Oer-IJ gebied kampen met het probleem van inklinkende veenweidegebieden. Door de lage waterstand zakt de bodem, komt er veel CO2 vrij en verdwijnen de watervogels. Landschap Noord-Holland doet bij Nauerna onderzoek naar alternatief voor het gebruik van het land met natte teelt van bijzondere gewassen. In Zuid-Holland wordt geëxperimenteerd met een ander ras koe de blaarkop. Die heeft geen probleem met zompige graslanden. Zo kan de blaarkop mogelijk de weidevogel redden. In de Volkskrant staat daarover een artikel met betrokken boeren en onderzoekers te lezen.

ARTIKEL UIT DE VOLKSKRANT

Aan de eigenwijze Blaarkoppen moet de jonge boer Jan Verduin (24) nog wel wat wennen. ‘Als je naar rechts wilt, gaan zij het liefst naar links’, zegt hij nadat hij twee collega’s nodig heeft gehad om één dier buiten op de foto te krijgen. Toch was het een bewuste keuze van zijn werkgever om in december naast de 140 Holstein-Friesian- en Jerseykoeien 40 Blaarkoppen te zetten op de proefboerderij in Zegveld, midden in het veengebied van het Groene Hart.

Liefhebbers noemen het Blaarkopras ‘de redding voor de landbouw op veen’. Door de huidige kunstmatig lage waterstand erodeert het veen in rap tempo. Hierdoor zakt niet alleen het land weg, maar laat het veen ook veel CO2 los. Een gruwel voor groene types, ook omdat weidevogels als de grutto – ondanks zijn lange snavel – niet meer bij insecten kunnen. Maar verhoog je het waterniveau, dan wordt het met de huidige vorm van landbouw in Nederland onmogelijk om nog koeien te laten grazen op de zompige grond. Een gruwel voor boeren.

Blaarkophouder en -fokker Ben Barkema voert een groep aan in het Groene Hart die een uitweg biedt uit deze tweestrijd. Weg van de keuze tussen koeien in de wei of moeras in de polder, zoals die in de aanloop naar de Waterschapsverkiezingen werd opgediend. Tijdens een rondje met Verduin over de proefboerderij in Zegveld (onderdeel van het Veenweide Innovatie Centrum) legt Barkema uit hoe simpel het in zijn ogen is: verhoog de waterstand en ruil de gangbare koeienrassen in voor de lichtere en robuustere Blaarkop, die daar eeuwenlang met natte poten prima gedijde op riet, brandnetels, lisdodden en laagwaardig gras.

In de 17de eeuw werd het ras al vanuit Groningen per platbodem naar het Groene Hart gehaald om onder meer de resten uit de jeneverindustrie op te ruimen. Maar de koe, met rond de ogen op de witte kop rode of zwarte vlekken – ‘blaren’ – verloor door de intensivering van de landbouw in de tweede helft van de vorige eeuw aan populariteit. De Holstein-Friesian leverde meer melk en de Waterschappen waren bereid de kwetsbare koe te behoeden voor natte poten. Het gevarieerde landschap maakte plaats voor eentonig, maar eiwitrijk Engels raaigras.

Door het klimaat en verlies aan biodiversiteit staat deze manier van werken onder druk. Maar in het ontwerp-Klimaatakkoord is vooral gekeken naar technologische oplossingen om het klimaat én de landbouw te beschermen tegen het veen. Het Planbureau voor de Leefomgeving rekende al uit dat met de plannen zeer waarschijnlijk te weinig CO2-uitstoot wordt tegengegaan. De veengebieden in met name Friesland en het Groene Hart stoten jaarlijks 7 megaton CO2 uit, 4 procent van het totaal in ­Nederland.

Menko Wiersema is als gebiedsregisseur bij de provincie Zuid-Holland om die reden groot voorstander van een hogere waterstand in combinatie met Blaarkoppen. Hij steunt het werk van Barkema en het onderzoek op de boerderij in Zegveld naar hoe de dieren het in de praktijk nu precies doen in het natte Groene Hart. Met de Rabobank en de Milieufederaties kijken ze ook of ze boeren kunnen belonen voor iedere ton CO2 die door de hogere waterstand in de grond achterblijft.

Die extra bijdrage kan mooi meegenomen zijn voor de boer, maar ook zonder zou de Blaarkop moeten kunnen concurreren met de rassen die meer melk per koe produceren. ‘Het dier is weerbaarder, waardoor de kosten van de veearts lager zijn’, zegt Theo Vogelzang, die bij Wageningen Economic Research onderzoek doet naar veeteelt op veenweide. ‘Verder heeft het dier weinig krachtvoer nodig, is de kwaliteit van de melk hoger en eindigt het vlees van deze ‘dubbeldoelkoe’ ook op ons bord.’

Het zijn dezelfde voordelen die de enthousiaste Barkema opsomt als hij op de proefboerderij in Zegveld loopt. ‘Het is de ideale koe binnen de kringlooplandbouw.’ De provincie is enthousiast over zijn plan om de Blaarkoppen en hun producten aan de man te brengen in het Groene Hart. ‘De paar boeren die nu nog Leidse kaas en boter maken van Blaarkopmelk, winnen daar voortdurend prijzen mee’, zegt hij. Met een op te richten Blaarkopacademie wil hij andere boeren helpen stapsgewijs hun veestapel te vervangen voor de dieren met de vlekken om de ogen.

Maar hij en collegafokkers hebben zelf ook werk te doen. Wereldwijd zijn er nog maar zo’n 800 geregistreerde Blaarkopmelkkoeien, wat het een bedreigde soort maakt. En Barkema mag dan voortdurend de liefde verklaren aan het dier, het ras kan op een aantal punten nog worden verbeterd. Een tijdrovend werkje, waardoor het twintig jaar kan duren om in de zogenoemde melkcontrole van 800 naar 2.000 dieren te komen – het bescheiden doel dat Barkema zich heeft gesteld voor zijn project in het Groene Hart, waar zo’n 140 duizend melkkoeien rondlopen.

Het begint met melkveehouders enthousiasmeren voor de Blaarkoppen, weet Barkema. Hij wijst boer Jan Verduin op een overvliegende weidevogel. ‘Het alternatief voor de weilanden op veen is moerasbos’, zegt hij. ‘Dat is totale kapitaalvernietiging en het is bovendien alsnog gedaan met de grutto, want dan nemen de kraai en de ekster het over.’

Verduin werkt nu een paar maanden met de dieren en moet het nog zien. Hij werkt niet alleen op de proefboerderij in Zegveld, maar zit ook in de melkveehouderij van zijn vader. Hij ziet het nog niet gebeuren dat zij overstappen op ‘eigenwijze’ Blaarkoppen. ‘Als hobby had mijn vader een paar, maar dat werkte niet tussen de andere rassen’, zegt boer Verduin.

Barkema schudt zijn hoofd. ‘Een renpaard behandel je ook niet hetzelfde als een Belgisch trekpaard’, zegt hij tegen de jonge Verduin. Blaarkoppen moet je anders, geduldiger behandelen, legt Barkema uit. ‘Maar dat zijn de boeren van tegenwoordig, die vooral voor hoge productie per koe gaan, niet meer gewend.’ Wacht maar af, houdt hij Verduin voor. ‘Over een tijdje houd je stiekem van ze. Dat gaat iedereen doen die wat langer met ze werkt.’

Bron: Volkskrant 28 maart 2019